Column: Niet zo’n groene vingers

Een aantal keer per maand vertelt Buitenleven-redacteur Femke van der Palen over haar stap om van de stad naar het platteland te verhuizen. Samen met haar vriend knapt ze een klushuis op – en dat gaat niet altijd van een rieten dakje. 

Groene vingers. Je hebt ze of je hebt ze niet. Ik zou graag willen zeggen dat ik tot die eerste groep behoor, maar helaas. De enige keer dat mijn vingers letterlijk groen waren, was toen ik recent onze meubels aan het schilderen was. Met groene krijtverf. In de meeste gevallen zijn mijn planten namelijk aan hun lot overgeleverd. Behalve als mijn moeder – wel in het bezit van groene vingers – ze de aandacht geeft die ze verdienen. Dan bloeien de planten er weer een tijdje op los.

Nu mijn vriend en ik trotse eigenaars van een huis-met-lekker-veel-tuin zijn, vond ik dat het er maar eens van moest komen: zélf tuinieren. Lekker met je blote handen in de aarde wroeten. Mezelf één voelen met de natuur. Een prachtig bloeiende tuin. Dat werk. Als mijn ouders dat kunnen, kan ik het ook, dacht ik. Ik besloot het maar meteen goed aan te pakken. Een moestuin moest het worden, daar heb je ook nog eens wat aan. Ik zag mezelf al hele zondagmiddagen bezig zijn met soepen koken en groentes en fruit inmaken. Allemaal van de opbrengst van mijn rijkbloeiende moestuin.

Femke

Valsspelen

Omdat we de sleutel van ons huis kregen nét nadat de moestuintjesactie van die ene supermarktketen voorbij was, moest ik een klein beetje valsspelen. In tegenstelling tot mijn ouders, die al maanden hun halve huis vol ontkiemende plantjes hebben staan, kocht ik kleine exemplaren bij een tuincentrum. Je moet ergens beginnen, nietwaar? Mijn vriend bekeek hoofdschuddend mijn groene voornemens: ‘Moet je hier uitgerekend nú mee beginnen? We hebben nog genoeg te doen in huis. Dat kun je toch nooit allemaal tegelijk goed doen?’

Ik liet me niet kennen. Hoewel, dat idee om met je handen in de aarde te wroeten staat op papier best stoer. In feite haat ik het als mijn nagels onder het zand zitten. Of als ik – per ongeluk – een slak, spin of ander ongedierte aanraak. Om nog maar te zwijgen over de dorens die aan veel planten blijken te zitten. Dat probleem werd al snel opgelost door de aanschaf van (groene) handschoenen.

Femke

Natuurlijke hindernissen

Dat één worden met de natuur verliep natuurlijk ook niet als gehoopt. Sterker nog: de natuur en ik zaten verre van op één lijn. Denk je eindelijk alles onder controle te hebben, komt er weer een hittegolf of juist extreme regen. Slakken blijken helaas ook dol te zijn op mijn moestuin. En vreemd genoeg blijkt het juist het onkruid dat extreem goed groeit. Niet echt zoals gepland.

Na een paar maanden liefdevolle pogingen te hebben gedaan, is de opbrengst dan ook minimaal. Toch oogst ik vol trots drie kleine paprika’s, vijf cherrytomaatjes en drie minikomkommers. Iéts te weinig om daar een hele zondagmiddag zoet mee te zijn. Het blijkt minder rooskleurig dan gedacht, dat tuinieren. Ik wil me niet laten kennen, maar dit allemaal bijhouden, tussen het klussen door nota bene, vraagt toch meer tijd dan gedacht. Misschien is het inderdaad een project voor volgend jaar. Mijn vriend – toeschouwer van het eerste uur – bekeek het nog maar eens hoofdschuddend. Ditmaal echter met een klein zelfingenomen lachje op zijn gezicht. Zo van: ik zei het toch…

column

1