Horror op de oprit

Buitenleven-redacteur Femke van der Palen vertelt regelmatig over haar stap om van de stad naar het platteland te verhuizen. Samen met haar man knapt ze een klushuis op – en dat gaat niet altijd van een rieten dakje. 

verlaten straat

Het is donker als ik thuiskom. Al de hele dag heeft het geregend. De oprit is bezaaid met afgevallen bladeren. De plassen water glimmen in het zwakke schijnsel van een lantaarnpaal. Terwijl ik mijn tassen uit de auto laad, valt het me op hoe stil en afgelegen het rond dit tijdstip is. Op dat moment trekt een windvlaag aan mijn jas en ik huiver. “Snel naar binnen”, mompel ik tegen mezelf, terwijl ik mijn huissleutel zoek. Plots hoor ik in de verte een vaag geluid. Alsof er iemand in de bosjes staat.

Ik kijk om me heen. Mijn hartslag lijkt sneller te slaan. Op de wind en een enkele auto na is het weer muisstil. Van de spanning kan ik niet meteen mijn huissleutels vinden. In mijn tas zoek ik mijn mobiele telefoon om bij te schijnen, maar ook die blijkt onvindbaar. Verdorie! Nog maar even in mijn auto zoeken. Op de tast zoek ik verder. Terwijl ik dat doe, hoor ik het geluid weer. Het klinkt als een oude man die niest. Een vluchtige schaduw trekt over de oprit. Doodstil blijf ik staan in de hoop dat de indringer mij niet ziet. Wederom is er niets anders dan stilte.

Een horrorfilm

Iets verderop zie ik iets glinsteren: mijn sleutels. Ze zitten nog gewoon in het contact! Ik moet nu echt bij de les blijven, besluit ik. Eén verkeerde beslissing en het is met me gedaan. Tenminste, zo gaat dat ook altijd in horrorfilms waarin de hoofdrolspelers vaak wél blijven leven. Het grote verschil is dat zij veel moed vertonen en recht op het gevaar afgaan. Ze blijven niet zo laf stilstaan zoals ik dat doe. Met dat in gedachten probeer ik mezelf te vermannen. Ik sluit de auto, recht mijn rug en loop naar de deur. Als het dan toch moet, ga ik liever strijdend ten onder.

Plotseling hoor ik de niesende man weer. Misschien is het wel een vrouw, maar mijn fantasie heeft er een oude man met een dubieus masker van gemaakt. Net als in de film. Daarnaast hoor ik een ander geluid: het geritsel van gras. Inmiddels sta ik in het licht van een lantaarnpaal. De indringer moet mij dus al hebben gezien en heeft allang zijn kans kunnen grijpen om toe te slaan. Maar dat deed hij niet. Zit ik er dan toch naast? Voorzichtig loop ik richting het geluid. Nu hoor ik iets anders: gesmak. Ik schuifel door en ineens kijk ik in een paar ogen. De ogen kijken mij onderzoekend aan, het gesmak gaat door tot plots: ‘hatsjoe!’. Nooit geweten dat schapen in het donker mij zo de stuipen op het lijf konden jagen…

column

0